Begrippenlijst

Achterzetsel
Een woord dat een relatie aangeeft tussen verschillende elementen in de zin en achter het zinsdeel waar het bij hoort, staat. In de zin 'Hij liep het bos door' is ‘door’ het achterzetsel.
Bijvoorbeeld: 'door', 'uit', 'af', enz. (Haeseryn et al., (1997).
Actieve woordenschat
Alle woorden die een persoon gebruikt (van Bogaert, 2000).
ADHD (Attention Deficit (Hyperactivity) Disorder)
AD(H)D is een aandachts- en concentratiestoornis met of zonder hyperactiviteit. Kinderen met AD(H)D hebben vaker en sterker dan gemiddeld last van: aandachts- en concentratieproblemen, impulsiviteit en hyperactiviteit (Owens, 2004).
Agressieve gedragsstoornissen: ODD, CD
Agressieve gedragsstoornissen worden onderscheiden in oppositioneel opstandige gedragsstoornissen (ODD, Oppositional Defiant Disorder) en antisociale gedragsstoornissen (CD, Conduct Disorders). Samen worden deze gedragsstoornissen ook wel disruptieve stoornissen genoemd (DBD, Disruptive Behavior Disorder).
Akoepedist
Een akoepedist is een technisch specialist in het opsporen van gehoorstoornissen.
Ankyloglossie
Te kort tongriempje of de vergroeing hiervan aan de tong of aan de mondbodem met als gevolg onvoldoende beweeglijkheid van de tong (van Bogaert, 2000).
Aspecten van taalgedrag:
 TaalreceptieTaalproductie
Taalvorm
  • Waarneming van spraakklanken (fonologie)
  • Begrijpen van morfologische verschijnselen (morfologie)
  • Begrijpen van zinnen (syntaxis)
  • Productie van spraakklanken (fonologie)
  • Productie van morfologische verschijnselen (morfologie)
  • Productie van zinnen (syntaxis)
   
Taalinhoud
  • Woordenschat: passief (semantiek)
  • Begrijpen van semantische relaties (semantiek)
  • Begrijpen van verhalen
  • Woordenschat: actief (semantiek)
  • Productie van semantische relaties (semantiek)
  • Productie van verhalen
Taalgebruik
  • Begrijpen van communicatieve functies (pragmatiek)
  • Begrijpen van semantische relaties (pragmatiek)
  • Taal gebruiken voor communicatieve functies (pragmatiek)
  • Conversatievaardigheden gebruiken (pragmatiek)
  • Taal gebruiken voor intrapersoonlijke functies (pragmatiek)
(Van den Dungen, L. & Verboog, M. (1991).
Asperger-syndroom
De Stoornis van Asperger is een ontwikkelingsstoornis met een neurobiologische oorzaak. Iemand met de stoornis van Asperger ondervindt moeilijkheden op twee gebieden, namelijk op het gebied van sociale interactie en gedrag/spel. Er is geen sprake van een algehele achterstand in de taalontwikkeling, geen verstandelijke achterstand in de ontwikkeling en het sociaal of beroepsmatig functioneren moet ernstig beperkt worden (American Psychiatric Association, DSM-IV, 2001).
Assimilatieprocessen
Een klank wordt deels of geheel door een andere klank vervangen onder invloed van klanken in de context. (Dean et al., 1990).
Audiometrie
Gehoormeting met als doel een zo volledig mogelijk inzicht te verkrijgen in iemands vermogen om diverse geluidsstimuli waar te nemen en te interpreteren (van Bogaert, 2000).
Auditieve synthese
Klanken samenvoegen tot een woord (ook wel "plakken" genoemd) (Wentink et al., 2000).
Auditieve verwerkingsproblemen
Auditieve verwerkingsproblemen zijn problemen in het horen en spraakverstaan, ondanks een normaal gehoor op basis van standaard (toon- en spraak-) audiometrie. Deze problemen zijn specifiek voor de auditieve modaliteit en (relatief) onafhankelijk van mentale vaardigheden (Neijenhuis, 2003).
Autisme
Een Autistische Stoornis is een ontwikkelingsstoornis met een neurobiologische oorzaak. Voor het derde levensjaar ondervindt iemand met een Autistische Stoornis:
  • kwalitatieve beperkingen in sociale interactie
  • kwalitatieve beperkingen in verbale en non-verbale communicatie
  • beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten waarbij sprake is van een stoornis in de verbeelding.
(American Psychiatric Association, DSM-IV, 2001)

B index

Bijvoeglijk naamwoord
Een woord dat een eigenschap of een toestand aangeeft.
Bijvoorbeeld: 'lief', 'rood', 'dik', enz. (Haeseryn et al., 1997).
Bijwoord
Een woord dat een nadere bijzonderheid noemt van een door een gezegde of bepaling uitgedrukte werking, eigenschap of toestand. In de zin 'Hij ging vooraan staan' is ‘vooraan’ het bijwoord. In de zin 'Hij is erg dik' is ‘erg’ het bijwoord.
Bijvoorbeeld: 'misschien', 'ook', 'nog', enz. (Haeseryn et al., 1997).
Broddelen
Broddelen is een vorm van niet-vloeiend spreken, waarin de spreker onvoldoende in staat is zijn spreektempo aan te passen aan de spraakmotorische en/of linguïstische eisen van dat moment. (Zaalen & Winkelman, 2009).

C index

Clusters speciaal onderwijs
De 10 soorten scholen voor speciaal onderwijs zijn verdeeld in vier clusters. Onder cluster 1 vallen de scholen voor visueel gehandicapte kinderen en visueel gehandicapte kinderen met een meervoudige beperking. Onder cluster 2 vallen scholen voor dove en slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, mogelijkerwijs in combinatie met een andere handicap. Onder cluster 3 vallen de scholen voor leerlingen met verstandelijke (ZML) en/of lichamelijke beperkingen (Mytyl/Tyltyl) en aan leerlingen die langdurig ziek zijn (LZ). Onder cluster 4 vallen de scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen, langdurig zieke kinderen zonder een lichamelijke handicap en onderwijs aan kinderen in scholen die verbonden zijn aan pedologische instituten (Kennisnet).
Cognitieve ontwikkeling
Het in toenemende mate in staat zijn tot het opnemen, verwerken en weer opnieuw kunnen gebruiken van kennis en informatie (NCJ).
Communicatieve functies
De intenties waarvoor kinderen taal gebruiken in de interactie. Hierbij kan de volgende indeling gehanteerd worden:
  • Expressiefunctie: het uitdrukken van spontane gevoelens;
  • Regulatiefunctie: het regelen van interactie;
  • Representatiefunctie: het vragen en geven van informatie;
  • Controlefunctie; het onder controle houden van het tegenwoordige of toekomstige gedrag van één of meer van de deelnemers aan de interactie;
  • Sociale functie: het leggen en onderhouden van sociale contacten.
(Van den Dungen & Verboog, 1991).
Communication-referenced onderzoeksinstrumenten
Het gaat om beschrijvingen van het typerende gedrag van personen zonder te vergelijken met een referentiegroep of met van tevoren vastgestelde gedragscriteria (Jansonius-Schultheiss, Drubbel, & Hoogenkamp, 2009).
Comorbiditeit
Het voorkomen van meerdere, separate stoornissen bij één patiënt (Verhulst & Verheij, 2006).
Contrasten (fonologische contrasten)
Klanken die een verschillende articulatieplaats in de mond hebben.
Conversatievaardigheden
De vaardigheid om rekening te houden met de gesprekspartner en de situatie (beurtnemen, topic-handhaving, vooronderstellen van voorkennis bij de luisteraar, coherentie (samenhang), relatieve referentie van de taaluitingen, register (spreekstijlen en codes)(Van den Dungen & Verboog, 1991).
Coprolalie
Het onwillekeurig van obsceniteiten (Kutscher, 2006).
COTAN
De Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN) van het NIP heeft als opdracht ‘het bevorderen van de kwaliteit van tests en testgebruik in Nederland’.
Door de COTAN worden psychodiagnostische instrumenten beoordeeld. Verder informeert de COTAN testgebruikers over de stand van zaken op testgebied (COTAN)
De COTAN geeft een oordeel over de kwaliteit van een test op zeven verschillende criteria:
1.    Uitgangspunten van de testconstructie.
2a.  Kwaliteit van het testmateriaal.
2b.  Kwaliteit van de handleiding.
3.    Normen.
4.    Betrouwbaarheid.
5a.  Begripsvaliditeit.
5b.  Criteriumvaliditeit.
De beoordelingen worden gegeven op een driepuntsschaal (‘onvoldoende’, ‘voldoende’, ‘goed’) (Resing et al., 2005).
 
  
Kwaliteitseisen voor instrumenten voor indicatiestelling
De beoordeling van instrumenten voor indicatiestelling is gebaseerd op de zeven criteria van de COTAN. De kwaliteitsniveaus van mogelijk bruikbare instrumenten voor indicatiestelling zijn:
A. Goed.
B. Voldoende.
C. Voorlopig aanvaardbaar, al is de kwaliteit niet voldoende of (nog) onbekend.
D. Onvoldoende.
Tests die op de eerste zes COTAN-criteria als ‘voldoende’ of ‘goed’ zijn beoordeeld, krijgen in principe het predikaat goed (A) in het kader van indicatiestelling.
Tests die op de eerste vijf COTAN-criteria als ‘voldoende’ of ‘goed’ zijn beoordeeld, krijgen in principe het predikaat voldoende (B) in het kader van indicatiestelling.
Tests die niet aan de voorwaarden voldoen of waarvan onbekend is of ze aan deze voorwaarden voldoen, kunnen in het kader van indicatiestelling het predikaat voorlopig aanvaardbaar (C) krijgen.
Tests die op tenminste één van de eerste vijf COTAN-criteria als ‘onvoldoende’ zijn beoordeeld of waarvan de kwaliteit onbekend is omdat (nog) geen beoordeling door de COTAN heeft plaatsgevonden en waarvoor als voldoende of goed gekwalificeerde alternatieve instrumenten beschikbaar zijn, krijgen in principe het predikaat onvoldoende (D) in het kader van indicatiestelling (Resing et al., 2005).
Overzicht taaltestkwalificaties COTAN.

D index

Diagnostiek
Het gehele proces van informatieverwerving en verwerking ten behoeve van de hulpverlening.
Differentiatiefase
De differentiatiefase duurt gemiddeld van de leeftijd van 2;6 jaar tot de leeftijd van 5 jaar. In deze periode verloopt het taalverwervingsproces in een explosief ritme (Schaerlaekens, 2008).
DCD (Developmental Coördination Disorder)
Moeilijkheden in motorische vaardigheden die kinderen hebben die niet primair te wijten is aan algemene intellectuele, sensorische of motorische/neurologische afwijkingen. een belangrijk kenmerk is moeilijkheden in leren en presteren op alledaagse taken thuis, op school en in speelsituaties (Cermak & Larkin, 2002).
DOS (Denver Ontwikkelingsscreeningtest)
Dit is een screening van ontwikkelingsstoornissen en/of retardatie in de ontwikkeling en orienterend onderzoek naar de ontwikkeling van het kind. Geschikt voor kinderen van 16 dagen tot 6;6 jaar. Door Cotan beoordeeld in 1981. Deze screeningstest is niet meer verkrijgbaar en de normen zijn verouderd (1975).
Down syndroom
Het Down syndroom is een chromosomaal bepaalde aangeboren afwijking. Extra materiaal aanwezig op chromosoomnummer 21 (trisomie 21) veroorzaakt stoornissen in de structurele en functionele ontwikkeling. Het syndroom wordt gekenmerkt door een karakteristiek uiterlijk en het achterblijven van de (verstandelijke) ontwikkeling. Daarnaast komt er veelvuldig een hartafwijking voor. Verder komt er hypotonie (slappe spieren), ontstekingen van de luchtwegen (verkoudheid, hoesten, oor- en keelontsteking) en functiebeperking van de zintuigen voor.
Doofheid
Het onvermogen om te kunnen horen. Dit wordt ook wel aangegeven als het gehoorverlies meer dan 90dB is. Daarnaast is doofheid ook het niet meer kunnen verstaan van spraak ondanks optimale versterking (Jochems & Joosten, 2003).
Dyslexie
Dyslexie is een leerprobleem op het gebied van lezen, spelling en taal, bij een op andere gebieden normaal verlopende ontwikkeling en voldoende stimulering op het gebied van taal.

E index

Echolalie
Echolalie is het onwillekeurig herhalen van een hele of gedeeltelijke uiting van een andere persoon.
ESM (ernstige spraak- en/of taalmoelijkheden)
ESM is een primaire taalstoornis. Dit betekent dat de taalstoornis op zichzelf staat en niet te verklaren is vanuit sensorische, cognitieve, neurologische of emotionele problemen. Er mag geen sprake zijn van een benedengemiddelde intelligentie, een gehoorstoornis, een afwijking aan (een deel van) de spraakorganen, duidelijk aanwijsbare neurologische afwijkingen, een contactstoornis en een extreme deprivatie of andere heel ongunstige taalaanbodsituaties.
In het buitenland wordt de term Specific Language Impairment (SLI) vaak gebruikt.(Goorhuis & Schaerlaekens, 2000, p. 141; Weerdenburg & Verhoeven, 2007).
Expanderen
Uitbreiden. De uiting van een kind wordt uitgebreid. Bijvoorbeeld 'Pappa stoel pakken' wordt geëxpandeerd tot 'Pappa moet de stoel pakken'. Wanneer een infinitief of voltooid deelwoord door het kind achteraan in de zin geplaatst wordt, kan dit in de expansie het best zo gehandhaafd blijven (Van den Dungen, 2008).

F index

Foneem
Een klank met betekeninsonderscheidende functie in de taal (Neijt, 1994).
Fonetiek
Fonetiek bestudeert de waarneembare eigenschappen van klanken vanuit drie invalshoeken:
  1. Hoe worden de klanken precies gevormd door de articulatieorganen (= articulatorische fonetiek).
  2. Welke fysische eigenschappen hebben deze klanken, hoe kan men ze bijvoorbeeld ontleden in termen van luidheid (dB), of toonhoogte (Hertz) (= akoestische fonetiek).
  3. Hoe worden ze door de gehoororganen waargenomen (= auditorische fonetiek). Het enige wat telt is dat ze geproduceerd worden door het menselijk stemapparaat, of een imitatie daarvan, bijvoorbeeld computerspraak (Goorhuis & Schaerlaekens, 2000). 
Fonologie
Fonologie beschrijft welke spraakklanken in een taal onderscheiden worden, hoe deze met elkaar kunnen worden gecombineerd en welke processen zich daarbij voordoen. Aspecten als klemtoon, intonatie en vloeiendheid vallen eveneens hieronder (Goorhuis & Schaerlaekens, 2000). 
Fragiele X syndroom
Het fragiele X syndroom is een aangeboren en erfelijke aandoening, waarbij er een verandering is opgetreden op het X-chromosoom. Kenmerken zijn bij de geboorte nog niet zichtbaar. Later zijn er kenmerkende gelaatstrekken als een lang gezicht, grote oren en een geprononceerde kin. Kinderen hebben vaak last van oorontstekingen. De levensverwachting is normaal. De motorische ontwikkeling en de spraak-, taalontwikkeling verlopen vertraagd. Er is vaak een matige tot ernstige verstandelijke beperking. Kinderen met het Fragiele-X-syndroom hebben vaak moeite met sociale contacten door extreme verlegenheid. Fragiele-X syndroom

G index

Gastro- enteroloog
Maag-Darm-Leverarts (MDL-arts).
Gedrag
Gedrag is de actie of reacties van een kind op zijn omgeving.
Gehoorrevalidatie
Het wennen aan een bijvoorbeeld hoortoestel of een Cochleair Implantaat en weer goed leren horen en verstaan
Geleidingsverlies
Tijdelijk verminderd gehoor door problemen in het middenoor.
Gemiddelde uitingslengte (mean length of utterance, MLU) 
Het aantal woorden gedeeld door het aantal uitingen.
Gesloten woordklasse
Aan deze klasse worden niet snel nieuwe woorden toegevoegd. Meestal betreft het hier functiewoorden, bijvoorbeeld: voorzetsels, lidwoorden, voornaamwoorden en voegwoorden behoren tot deze klasse. Bijvoorbeeld: 'op', 'hij', 'ons', 'maar', enz. (Haeseryn et al., 1997).
Gilles de la Tourette
Het syndroom van Gilles de la Tourette is een neuro- psychiatrische aandoening die zich kenmerkt door tics.
Gramat
Grammaticale Analyse van Taalontwikkelingsstoornissen: GRAMAT (Bol & Kuiken, 1989).

H index

Hersenstamaudiometrie (BERA: Brainstem Evoked Response Audiometry)
Met behulp van kliks worden responsen van de hersenstam gemeten.

I index

Intelligentie
Intelligentie is het vermogen doelgericht te handelen, rationeel te denken en effectief met de omgeving om te gaan (Kort et al., 2002).

K index

Kaleidoscoop
Een educatieve methode voor jonge kinderen die zich richt op de brede ontwikkeling, met speciale aandacht voor de taalontwikkeling (Kaleidoscoop).
Kinderaudiometrie
Zie audiometrie

L index

Leeftijdsequivalent
Het leeftijdequivalent geeft bij de logopedische diagnostiekinstrumenten de taalontwikkelingleeftijd van een cliënt aan. De ruwe scores kunnen worden omgezet in leeftijdsequivalenten, deze zijn aangepast op de schalen van de taalontwikkeling. Bijvoorbeeld een cliënt van 3;7 jaar behaalt een ruwe score van 10 met daarbij een leeftijdsequivalent van 3;2 jaar. Het ontwikkelingsniveau van het kind is 5 maanden jonger dan de kalenderleeftijd (Schlichting et al., 1995). Nijenhuis et al. (2001) geven aan dat het minder betrouwbaar is om naar het leeftijdsequivalent van een cliënt te kijken, omdat sommige vaardigheden zich sneller ontwikkelen dan andere, waardoor een halfjaar achterstand op de ene vaardigheid ernstigere gevolgen kan hebben dan dezelfde achterstand op een andere vaardigheid. Een achterstand in de leeftijd hoeft nog geen achterstand in de ontwikkeling te betekenen.
Lidwoord
Het woord 'de', 'het' of 'een' dat voor het zelfstandig naamwoord staat (Haeseryn et al., 1997).
  • Bepaald lidwoord: 'de' en 'het'
    Een woord dat naar een bepaald zelfstandig naamwoord verwijst. In de zin 'Het paard staat in de wei' wordt een specifiek paard bedoeld.
  • Onbepaald lidwoord: 'een'
    Een woord dat naar een niet nader bepaald zelfstandig naamwoord verwijst. In de zin 'Een paard staat in de wei' is een paard in het algemeen bedoeld, niet een specifiek paard.
Logopedist
Een logopedist is een paramedisch therapeut die zich bezig houdt met alle aspecten van de verbale communicatie (stem, spraak, taal en gehoor) en mondfuncties (kauwen, slikken, eten).

M index

Middenoor
Trommelvlies en gehoorbeentjes (Anatomie).
Middenoorontstekingen (otitis media)
Ontsteking van het middenoor, vaak veroorzaakt door een slechte werking van de buis van Eustachius.
MLU (mean length of utterance, gemiddelde uitingslengte)
Het aantal woorden gedeeld door het aantal uitingen.
Modelleren
Een onvolledige zin wordt uitgebreid tot een grammaticaal kloppende zin. De zin 'een poes' kan gemodelleerd worden tot 'Is dat een poes?' (Van den Dungen, 2008).
Morfologie
De morfologie heeft betrekking op de vormveranderingen binnen woorden, zoals vervoegingen van werkwoorden en verbuigingen van zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. Van veel grondwoorden kunnen met behulp van prefixen, suffixen en samenstellingen nieuwe woorden met een verwante, maar toch andere betekenis afgeleid worden (derivatiemorfologie). Bij flexiemorfologie veranderen woorden van vorm naar gelang ze meervoud of enkelvoud zijn, een tijd- of ander aspect weergeven, of naargelang de functie die ze in de zin vervullen. Hierbij blijft de basisbetekenis van het woord echter in principe ongewijzigd (Haeseryn et al., 1997).
Morfosyntaxis
Het toepassen van morfologie op woorden om syntactisch correcte zinnen te krijgen. Een werkwoord moet bijvoorbeeld vervoegd worden om een syntactisch correcte zin te krijgen.

N index

Nasometer
De nasometer is een apparaat dat de luchtstroom uit de neus en uit de mond meet. Op basis van deze gegevens kan de mate van nasaliteit gemeten worden. Het instrument bestaat uit 2 microfoontjes. Het ene microfoontje komt voor de mond en de andere komt voor de neus. Een schotje zorgt ervoor dat de twee luchtstromen van elkaar gescheiden worden. Als de patient een tekst opleest, wordt de akoestische energie via beide microfoontjes opgevangen en wordt de relatieve nasaliteit bepaald. Op basis van deze gegevens kan worden nagegaan of een patient hyper- of hyponasaal spreekt.
Neurofibromatose
Neurofibromatose (NF) is een progressieve, autosomaal dominante aandoening, die vooral huid- en zenuwweefsels aantast. De belangrijkste twee vormen zijn NF type 1 (Ziekte van Von Recklinghausen) en het zeldzame NF type 2 (bilaterale akoestische NF) (Neurofibromatose vereniging).
Neuropsychologie
Neuropsychologie is een wetenschap die de relatie bestudeert tussen de werking van de hersenen en het gedrag en de ontwikkeling.
Normscores
Normscores geven een referentiekader voor de interpretatie van de ruwe scores, welke is gebaseerd op de kenmerken van de verdeling van de ruwe scores in een populatie. Deze kenmerken worden geschat op basis van een representatieve steekproef (normeringsonderzoek). De beoordeling van de cliënt vindt plaats tegen de populatie waartoe hij behoord (Drenth & Sijtsma, 2006).

O index

OME (Otitis Media met effusie)
Acute middenoorontsteking met vocht achter de trommelvliezen.
Open woordklasse
Aan deze klasse kunnen nieuwe woorden worden toegevoegd, bijvoorbeeld door nieuwe samenstellingen of een nieuw werkwoord. Zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden behoren tot de open klasse (Haeseryn et al., 1997).
Oto akoestische emissies
Sommige trilharen in het gezonde binnenoor maken door hun bewegingen zeer zachte geluiden. Deze geluiden worden via de gehoorbeentjes doorgegeven als trillingen aan het trommelvlies.

P index

Palilalie
Het compulsief herhalen van zinsdelen en woorden, soms met toenemende snelheid en afnemend stemgeluid en vaak aan het einde van een uiting (Van Borsel en Degryse, 2005).
Passieve woordenschat
Het aantal woorden en de soort woorden die het kind begrijpt.
PDD-nos
PDD-nos is de afkorting van 'Pervasieve ontwikkelingsstoornis Niet Anderszins Omschreven' en is een ontwikkelingsstoornis met een neurobiologische oorzaak. PDD-nos leidt tot problemen in de omgang met anderen en tot communicatieproblemen of afwijkend gedrag in de vorm van stereotiepe gedragingen en extreme weerstand tegen veranderingen (Centrum voor Autisme).
Percentielscores
De ruwe score kan omgezet worden in percentielen (P-score). Door middel van de percentielscores kan worden aangegeven waar de prestaties van de cliënt liggen op een schaal van 0 tot 100. De bekendste percentielen zijn de P50 (de mediaan), P25 (eerste kwartiel) en P75 (derde kwartiel) (Drenth & Sijtsma, 2006). Bij de percentielscore valt af te lezen welk percentage van de normgroep hoger of lager scoort dan de betreffende cliënt (Evers et al., 2002). Percentielscores worden veel gebruikt, omdat deze eenvoudig en snel te berekenen zijn, gemakkelijk toepasbaar en inzichtelijk zijn (Drenth & Sijtsma, 2006). Nijenhuis et al. (2001) geven aan dat percentielscores gemakkelijk in gebruik zijn om testresultaten te vergelijken met andere tests.
  • Een score tussen de -1 en + 1 standaarddeviatie (SD) (centielscore 16 tot 84) is gemiddeld
  • Een score beneden -1 SD (centielscore < 16) is beneden gemiddeld
  • Een score boven +1 SD (centielscore > 84) is boven gemiddeld
(Neijenhuis et al., 2001; Drenth & Sijtsma, 1990). 
Perceptief gehoorverlies
Een perceptief gehoorverlies is een gehoorverlies door problemen in het slakkenhuis (de cochlea).
Piramide
Een educatieve methode die spelen werken en leren combineert. Het programma richt zich op acht ontwikkelingsgebieden, die samen de hele ontwikkeling van het jonge kind omvatten (Piramide).
Pragmatiek
De regels voor het gebruik van taal in sociale situaties.
  • communicatieve intenties: preverbaal of verbaal uitdrukken van een intentie of bedoeling;
  • conversatievaardigheden: beurt nemen, topic introductie, presuppostie (rekening houden met de luisteraar), topichandhaving.
  • verhaalopbouw
(Schaerlaekens, 2008)
Prelinguale periode
De periode van de geboorte tot ongeveer 1 jaar wordt prelinguaal genoemd, omdat het kind nog niet 'spreekt' in de gebruikelijke zin van het woord (Schaerlaekens, 2008).
Prelinguïstische communicatie
Communicatie door middel van geluiden, gezichtsuitdrukkingen, gebaren, imitatie en andere niet-linguïstische middelen (Feldman, 2009).
Primaire Taalstoornis
Een primaire taalstoornis is een op zichzelf staande taalstoornis die niet te verklaren is vanuit sensorische, cognitieve, neurologische of emotionele problemen. Er mag geen sprake zijn van een benedengemiddelde intelligentie, een gehoorstoornis, een afwijking aan (een deel van) de spraakorganen, duidelijk aanwijsbare neurologische afwijkingen, een contactstoornis en een extreme deprivatie of andere heel ongunstige taalaanbodsituaties (Goorhuis & Schaerlaekens, 2000, p.141).
Productief
Het uiten.
Bij taalverwervende kinderen zijn er twee aspecten te onderscheiden: enerzijds het leren begrijpen van taal, ook wel receptieve taalontwikkeling genoemd, en anderzijds het zelf praten, de actieve taalontwikkeling of productie (Schaerlaekens, 2008).
Psychosociale ontwikkeling
De psychosociale ontwikkeling is de ontwikkeling van geestelijke vermogens en sociale vaardigheden om goed te kunnen omgaan met mensen en verschillende omstandigheden in het leven.

Q index

Quotiënt
De quotiënten geven een verdeling weer van de behaalde testresultaten. Testscores worden gedeeld door een andere variabele (leeftijd, klasse) en daardoor onafhankelijk gemaakt van die variabele (Drenth & Sijttsma, 2006).

R index

Receptief
Taal begrijpen.
Bij taalverwervende kinderen zijn er twee aspecten te onderscheiden: enerzijds het leren begrijpen van taal, ook wel receptieve taalontwikkeling genoemd, en anderzijds het zelf praten, de actieve taalontwikkeling of productie (Schaerlaekens, 2008).

S index

Schisis (cheilo-, gnato-, palato-schisis)
Een aangeboren spleet in het gehemelte (palato), de kaak (gnato) en/of de lip (cheilo).
Screening
Het eerste brede, maar betrekkelijk oppervlakkige verkennen van de problematiek met het oog op het nemen van de eerste beslissingen bij aanmelding en intake.
Semantiek
Het gebruik van woorden en woordbetekenissen. De semantiek omvat onder meer woordenschat. Maar semantiek omvat ook de betekenisorganisatie van woorden die tot de taal horen. Het gaat hierbij zowel om de betekenis van woorden afzonderlijk als om de betekenis binnen grotere groepen (Goorhuis & Schaerlaekens, 2000).
SLI (Specific Language Impairment)
SLI is de Engelse term voor een specifieke taalstoornis. Dit betekent dat de taalstoornis op zichzelf staat en niet te verklaren is vanuit sensorische, cognitieve, neurologische of emotionele problemen. Er mag geen sprake zijn van een benedengemiddelde intelligentie, een gehoorstoornis, een afwijking aan (een deel van) de spraakorganen, duidelijk aanwijsbare neurologische afwijkingen, een contactstoornis en een extreme deprivatie of andere heel ongunstige taalaanbodsituaties. In Nederland wordt vaak de term Ernstige Spraak- en/of taalMoeilijkheden (ESM) gehanteerd. (Goorhuis & Schaerlaekens, 2000; Weerdenburg & Verhoeven, 2007).
Sotos syndroom
Het Sotos syndroom is een chromosomaal bepaalde aangeboren afwijking. De oorzaak van deze aandoening is soms aan te tonen; het gaat dan om een verandering in het erfelijk materiaal van chromosoom 5. Kenmerkend voor het Sotos syndroom is de versnelde lengtegroei op jonge leeftijd.
Sociale vaardigheid
Sociale vaardigheid ook wel sociale zelfredzaamheid genoemd betreft de vaardigheid om goed met je medemensen om te kunnen gaan.
SON (Snijders-Oomen Niet verbale intelligentie test)
Een niet verbale intelligentietest (Laros & Telligen, 1991). De test heeft betrekking op abstract denken, ruimtelijk inzicht en visuele perceptie. Er is een SON test voor kinderen van 2;6-6;11 jaar en één voor 5;6-16;11 jaar.
Specifieke taalstoornis
Een specifieke taalstoornis is een op zichzelf staande taalstoornis die niet te verklaren is vanuit sensorische, cognitieve, neurologische of emotionele problemen. Er mag geen sprake zijn van een benedengemiddelde intelligentie, een gehoorstoornis, een afwijking aan (een deel van) de spraakorganen, duidelijk aanwijsbare neurologische afwijkingen, een contactstoornis en een extreme deprivatie of andere heel ongunstige taalaanbodsituaties (Goorhuis & Schaerlaekens, 2000). Bij meertalige kinderen mét een taalstoornis bestaat de stoornis in zijn moedertaal (of talen) én in alle talen die hij (later) leert.
Spiegelproef
Een methode om het luchtverlies uit de neus vast te stellen. Wanneer de patient de klanken zoals /oe/ of /ie/  produceert, wordt een koude spatel of een KNO-voorhoofdspeigel onder de neusopeningen gehouden. Het beslaan van de koude spiegels wijs op luchtontsnapping uit de neus (Schutte & Goorhuis-Brouwer, 1992).
Spontane taalanalyses
Het observeren en analyseren van de spontane taal van een kind.
Door het gebruik van spontane taalanalysemethoden kan men het gewone taalgedrag van het kind niet alleen beschrijven, maar ook meten. De daarbij gebruikte maten zijn te verdelen in kwantitatieve maten (zinslengte) en kwalitatieve maten (complexiteit en correctheid van de uitingen). Voor de psychometrische eigenschap van spontane taalanalyses zijn niet dezelfde criteria van toepassing zoals die bij taaltesten gebruikt worden. Het gaat om laaggestructureerde instrumenten. De situatie is tamelijk vrij. Als een bezwaar van spontane taalanalyses wordt vaak genoemd de tijd, die het maken van een analyse kost. Daar staat tegenover dat men wel veel informatie krijgt over het taalgedrag van het kind (Van den Dungen & Verboog, 1991).
Spraakontwikkeling
De spraakontwikkeling betreft de ontwikkeling van het klanksysteem van een taal, dat wil zeggen het leren waarnemen en produceren van klanken, zoals die in een bepaalde taal voorkomen (Goorhuis & Schaerlaekens, 2000).
Spraakstoornis
Een spraakstoornis is een tekortkoming in de articulatie op het gebied van de vloeiendheid, spraakklank productie en/of stem (ASHA, 2008).
Spraak- en taalontwikkelingsstoornis
Spraak- en taalontwikkelingsstoornis wordt als één term veel gebruikt voor kinderen waarbij beide ontwikkelingen gestoord zijn. Met spraak wordt gerefereerd aan klankproductie als onderdeel van taalproductie. De spraakontwikkeling en taalontwikkeling zijn twee aparte ontwikkelingen die wel grotendeels parallel verlopen, maar niet identiek zijn. Bij een kind met een taalontwikkelingsstoornis moet men voorzichtig zijn met de diagnose spraak- en taalontwikkelingsstoornis. Het is heel goed mogelijk, dat het kind functioneert op het talig niveau van een veel jonger kind, met de daarbij behorende spraak. Zowel de spraak als de taal dienen onderzocht te worden (Van den Dungen & Verboog, 1991).
Stotteren
Stotteren is een stoornis in de timing van de spraakmotorische activiteit.
Substitutieprocessen
Een klank wordt vervangen door een andere klank. Dit heeft niets met contextuele elementen te maken, in tegenstelling tot assimilatieprocessen (Dean et al., 1990).
Syllabestructuur-processen
Syllaben worden vereenvoudigd of weggelaten (Dean et al., 1990).
Syndroom
Klinische genetica: Een syndroom is een herkenbaar patroon van aangeboren afwijkingen, waarbij de unieke combinatie van kenmerken een onderscheid mogelijk maakt met alle andere patronen (Van Dale: symptomencomplex).
Syntaxis
Beschrijft de zinsbouw van een taal: het samenvoegen van woorden in groepen, die op hun beurt als delen van een zin functioneren. Syntactische regels geven aan hoe woorden op een gepaste wijze samengevoegd worden tot grotere gehelen, woordgroepen, zinsdelen, zinnen en samengestelde zinnen. (Schaerlaekens, 2008; Jansonius-Schultheiss, Drubbel & Hoogenkamp,  2009).

T index

Taalgebruik
Pragmatiek
Taalinhoud
Semantiek
Taalstoornis
Dit is een stoornis in of een afwijkende ontwikkeling van het begrip of de productie van een gesproken, geschreven en/of ander symboolsysteem. De stoornis kan zich voordoen op het gebied van de vorm, inhoud en/of gebruik van taal in de communicatie (ASHA, 1980).
Taalvorm
grammatica (morfologie, syntaxis, fonologie)
Telescopie
Het in elkaar schuiven van de lettergrepen van een woord tijdens het spreken. (bv 'tvisie' in plaats van 'televisie') (Dean et al., 1990).
Test
Een test is een gestandaardiseerd instrument waarmee een vergelijking gemaakt kan worden tussen de onderzochte persoon en een bepaalde groep (normgroep of referentiegroep of norm-referenced tests). Met het gebruik van taaltesten kan een diagnose gesteld worden, en door de aanwezigheid van normen kan eventuele vooruitgang van de behandeling aangetoond worden. Taaltesten moeten voldoen aan psychometrische eigenschappen: normering, betrouwbaarheid en validiteit. De meeste taaltesten bestaan uit meerdere tests, elk voor een aparte taalvaardigheid. Taaltesten hebben ook beperkingen, deze hangen samen met de betrouwbaarheid en de normering. Een testsituatie is gestructureerd en gestandardiseerd. Hierdoor wijkt de testsituatie af van de normale taalgebruikssituatie (Van den Dungen & Verboog, 1991; Van Bon, 1998; Jansonius-Schultheiss, Drubbel, & Hoogenkamp, 2009).
Tic
Een tic is een plotselinge, snelle, herhaalde, niet-ritmische, stereotiepe, motorische beweging of vocale uiting (American Psychiatric Association, DSM-IV, 2001).
Toets
Een toets is een instrument waarmee bepaald kan worden in hoeverre een kind een bepaalde vaardigheid beheerst. Een toets is direct gericht op de prestaties van een individu in relatie tot bepaalde taken of doelen, en is daardoor geschikt om individuele vooruitgang met betrekking tot die vaardigheden te meten (Jansonius-Schultheiss, Drubbel, & Hoogenkamp,  2009). Bij een toets bestaat niet altijd de mogelijkheid om een vergelijking te maken met een referentiegroep of met van te voren vastgestelde normen. Een toets voldoet meestal ook niet aan de psychometrische eigenschappen, wat bij een test wel het geval is. 
Tongriempje
Weefselstrengetje waarmee de tong vastzit aan de mondbodem.
Types
Het aantal verschillende woorden.
De zin 'De poes zit voor de deur' heeft 6 tokens en 5 types (in totaal 6 woorden, waarvan 5 verschillende woorden) (Van den Dungen & Verboog, 1991).
Type-token ratio (ITR)
Het aantal types gedeeld door het aantal tokens. Deze maat zegt iets over de diversiteit van de woordenschat, dus hoeveel verschillende woorden iemand gebruikt ten opzichte van het totaal aantal woorden.

V index

VCF-syndroom / syndroom van Shprintzen / deletie 22q11 syndroom
VCFS staat voor Velo Cardio Faciaal Syndroom. Het VCF-syndroom is een chromosomaal bepaalde aangeboren afwijking. Het heeft onder meer betrekking op het gehemelte (velum), het hart (cardio) en het aangezicht (faciaal). De wetenschappelijke naam voor VCFS is ‘Microdeletie 22q11’
Velum
Gehemelte. Het gewelf van de mond dat het tussenschot vormt tussen de neus- en mondholte. Het gehemelte bestaat uit het vooraan gelegen harde gehemelte (palatum durum) en het achterin gelegen zachte gehemelte (palatum molle) (Bogaert, 2000).
Velumfunctie
Een specifieke functie van het velum is het bewegingspatroon van op- en neerwaartse heffing en voor- achterwaartse strekking, waarbij de mond- keelholte van de neusholte wordt afgesloten. Bij de voeding en het spreken is deze velofaryngeale afsluiting van groot belang (Jansonius-Schultheiss, 1999).
Voegwoord
Een woord dat twee of meer taalelementen met elkaar verbindt (Haeseryn et al., 1997).
  • Onderschikkend voegwoord
    Een woord dat twee syntactisch ongelijksoortige taalelementen verbindt. Meestal worden een hoofdzin en een bijzin met elkaar verbonden. In de zin 'ik ga niet naar buiten, omdat het regent' is ‘omdat’ het onderschikkend voegwoord dat de hoofdzin ‘ik ga niet naar buiten’ met de bijzin ‘het regent’ verbindt.
    In de zin 'Voordat mijn vader naar zijn werk gaat, laat hij de hond uit' is ‘voordat’ het onderschikkend voegwoord dat de hoofdzin ‘hij laat de hond uit’ verbindt met de bijzin ‘voordat mijn vader naar zijn werk gaat’.
    Wanneer twee zinnen door een onderschikkend voegwoord met elkaar verbonden worden, staat de persoonsvorm in de bijzin altijd achteraan. De persoonsvorm van de hoofdzin staat op de ‘normale’ plek.
  • Nevenschikkend voegwoord
    Een woord dat meestal syntactisch gelijksoortige taalelementen (zinnen, constituenten, woorddelen) met elkaar verbindt.
    In de zin 'Wil je koffie of thee?' is het woord ‘of’ een nevenschikkend voegwoord dat twee constituenten met elkaar verbindt. In de zin 'Het regent, maar ik ga toch naar buiten' is ‘maar’ een nevenschikkend voegwoord dat twee zinnen met elkaar verbindt. In de zin 'Ik bedoel de Noord- en Zuidpool' is ‘en’ het nevenschikkend voegwoord dat twee woorddelen met elkaar verbindt.
    Wanneer twee zinnen door een nevenschikkend voegwoord met elkaar verbonden worden, staat de persoonsvorm op de ‘normale’ plek.
    Voltooingsfase
  • De voltooiingsfase duurt gemiddeld van 5 jaar tot 10 jaar (Schaerlaekens, 2008). Het taalgebruik van het kind begint te lijken op dat van een volwassene.
    Voornaamwoord
    Een woord dat ergens naar verwijst (Haeseryn, 1997).
    • Persoonlijk voornaamwoord
      Een woord dat naar een referent (bijvoorbeeld een mens, dier, ding of actie) verwijst.
    • Wederkerend voornaamwoord                                                                                Het woord 'zich' of een vervorming daarvan, dat (meestal) naar het onderwerp van de zin verwijst.
      In de zin 'Ik vergis me' is ‘me’ het wederkerend voornaamwoord.
    • Wederkerig voornaamwoord
      Een woord dat naar een antecedent (het onderwerp of het bijvoeglijk naamwoord van de zin) verwijst. In de zin 'Vader en moeder wassen elkaar' is ‘elkaar’ het wederkerig voornaamwoord.

     

    Verschil wederkerend en wederkerig voornaamwoord:
    Het onderwerp bij een wederkerend voornaamwoord kan enkelvoudig of meervoudig zijn. In de zin 'Shams en Fleur bezeren zich' doen beide meisjes zich pijn; de zin zou geformuleerd kunnen worden als 'Shams bezeert zich en Fleur bezeert zich'. Ze ondergaan beide de handeling, maar voeren hem niet bij elkaar uit. Daarom is ‘zich’ in deze zin een wederkerend voornaamwoord.
    Het onderwerp bij een wederkerig voornaamwoord is altijd meervoudig en de verschillende entiteiten van het onderwerp voeren de handeling uit én ze ondergaan de handeling. In de zin 'Dylan en Jordi wassen elkaar' wast Dylan Jordi en Jordi Dylan; de zin zou geformuleerd kunnen worden als 'Dylan wast Jordi en Jordi wast Dylan'. Er is dus sprake van een wederkerige relatie en ‘elkaar’ is in deze zin dus een wederkerig voornaamwoord. 



    • Bezittelijk voornaamwoord
      Een woord dat naar een referent (bijvoorbeeld een mens, dier, ding of actie) verwijst en een bezitsrelatie aanduidt.
      Bijvoorbeeld: 'mijn', 'jouw', 'haar', enz.
    • Aanwijzend voornaamwoord
      Een woord dat een nadrukkelijke verwijzende functie heeft.
      Bijvoorbeeld: 'die', 'dat', 'deze', 'zulk', enz.
    • Vragend voornaamwoord
      Een woord waarmee je iets vraagt.
      Bijvoorbeeld: 'wie', 'hoe', 'waarom', enz.
    • Betrekkelijk voornaamwoord
      Een woord met een verwijzende en een zinsverbindende functie. In de zin Hij is ziek, wat me niet goed uitkomt is ‘wat’ een betrekkelijk voornaamwoord.
      Bijvoorbeeld: 'welk', 'die', 'hetgeen', enz.
    • Onbepaald voornaamwoord
      Een woord waarmee het aantal niet nader gespecificeerd wordt.
      Bijvoorbeeld: 'iets', 'iedereen', 'iemand', 'sommige', enz.
    • Uitroepend voornaamwoord
      Een woord dat aan het begin van een zin gebruikt wordt en waarmee de uitroep intensiever wordt. In de zin Wat een rommel ligt hier! is ‘wat’ een uitroepend voornaamwoord.
      Bijvoorbeeld: 'wat', 'welk', 'zo’n', 'zulke'.
    Voorzetsel
    Een woord dat een relatie aangeeft tussen verschillende elementen in de zin. In de zin 'Het boek ligt op/naast/onder de tafel' is 'op/naast/onder' het voorzetsel (Haeseryn, 1997).
    Vroeglinguale periode
    De vroeglinguale periode duurt gemiddeld van 1 jaar tot 2;6 jaar. In deze periode wordt de stap gezet van brabbelen naar betekenisvol taalgebruik (Scaerlaekens, 2008).

    W index

    Werkwoord
    Een woord dat ‘een werking’ uitdrukt.
    Bijvoorbeeld: 'lopen', 'gaan', 'willen', enz. (Haeseryn, 1997).

    • Infinitief
      Werkwoord in ‘wij-vorm’.
      Bijvoorbeeld: 'drinken', 'aaien', 'gaan', enz.
    • Stam
      Werkwoord in ‘ik-vorm’.
      Bijvoorbeeld: 'drink', 'aai', 'ga', enz.
    • Niet-specifiek werkwoord
      Werkwoord met een algemene betekenis.
      Bijvoorbeeld: 'doen', 'gaan', 'maken', enz.
    • Specifiek werkwoord/lexicaal werkwoord
      Werkwoord dat op zichzelf de betekeniskern van het werkwoordelijk gezegde vormt, een werkwoord met een specifieke betekenis.
      bijvoorbeeld: 'lezen', 'lopen', enz.
      In de zin 'ik had naar huis willen lopen' staan drie werkwoorden, het werkwoordelijk gezegde ('had willen lopen'), waarvan alleen 'lopen' een lexicaal werkwoord is.
    • Hulpwerkwoord
      Werkwoord zonder op zichzelf staande betekeniskern.
      Bijvoorbeeld: 'hebben', 'worden', 'moeten', 'doen', enz.
    • Koppelwerkwoord
      Werkwoord dat in het naamwoordelijk gezegde voorkomt.
      'zijn', 'worden', 'blijven', 'blijken', 'lijken', 'schijnen', 'dunken', 'heten', 'voorkomen'.
    • Reflexief werkwoord (wederkerig werkwoord)
      Werkwoord dat met zich of met een ander wederkerend voornaamwoord gecombineerd wordt.
      Bijvoorbeeld: 'zich wassen', 'zich vergissen', 'zich aanstellen', enz.
    • Niet-reflexief werkwoord (niet-wederkerig werkwoord)
      Werkwoord dat niet met zich of met een ander wederkerend voornaamwoord gecombineerd wordt.
      Bijvoorbeeld: 'kruipen', 'willen', 'eten', enz.
    • Transitief/overgankelijk werkwoord (tweeplaatsig en drieplaatsig werkwoord)
      Een werkwoord dat naast het subject/onderwerp één of meerdere objecten (lijdend voorwerp/direct object, meewerkend voorwerp/indirect object) nodig heeft.
      bijvoorbeeld: 'geven', 'willen', 'mogen', enz.

      Een tweeplaatsig werkwoord (transitief/overgankelijk werkwoord) heeft naast een onderwerp/subject een lijdend voorwerp/object nodig.
      In de zin 'Mijn vriendinnetje helpt me met het huiswerk' is ‘mijn vriendinnetje’ het subject/onderwerp en ‘me’ het direct object/lijdend voorwerp.
      Bijvoorbeeld: 'helpen', 'vergeten', 'kammen'.

      Een drieplaatsig werkwoord (ditransitief/overgankelijk werkwoord) heeft naast een subject twee objecten nodig, namelijk een lijdend voorwerp/direct object en een meewerkend voorwerp/indirect object.
      In de zin 'Ik geef haar een boek' is ‘ik’ het subject/onderwerp, ‘haar’ het indirect object/meewerkend voorwerp en ‘een boek’ het direct object/lijdend voorwerp.
      Bijvoorbeeld: 'geven', 'vertellen', 'beloven'.
    • Intransitief/onovergankelijk werkwoord (eenplaatsig werkwoord)
      Een werkwoord dat alleen een onderwerp (subject) nodig heeft.
      Bijvoorbeeld: 'zitten', 'regenen', 'blaffen', enz.
    • Scheidbaar samengesteld werkwoord
      Een werkwoord dat uit twee delen bestaat die in de ‘hij-vorm’ uit elkaar getrokken moet worden.
      Bijvoorbeeld: 'thuiskomen', 'weglopen', 'aanbellen', enz.
    • Groepsvormend werkwoord
      Een werkwoord dat een verbinding met een ander werkwoord aangaat en de betekenis van dat andere werkwoord verandert. In de zin 'Hij heeft vanmorgen uitgeslapen' is ‘heeft’ het groepsvormend werkwoord. In de zin 'Ze probeerde oma te bellen' is ‘probeerde’ het groepsvormend werkwoord.
      Bijvoorbeeld: 'proberen', 'beloven', 'worden', 'hebben', enz.
    • Voorzetselvoorwerp
      Een zinsdeel dat bij bepaalde werkwoordelijke gezegdes kan of moet voorkomen.
      Bijvoorbeeld: 'blij zijn om', 'denken aan', 'trouwen met', enz.
    Williams syndroom
    Het Williams syndroom is een aangeboren aandoening, waarbij er een stukje van het chromosoom 7 afwezig is.
    Kenmerken zijn een bijzonder gelaat, aangeboren hartafwijking, groeiachterstand, overgevoeligheid voor geluid en een hoog calcium (kalk)-gehalte in bloed. Mensen met Williams syndroom hebben vaak een bolle neuspunt, bolle wangen, een wijde mond met volle lippen en kleine tanden. Vaak is sprake van een verstandelijke handicap. De taalvaardigheid en het vermogen gezichten te herkennen zijn relatief goed ontwikkeld, terwijl het ruimtelijk inzicht relatief slecht is ontwikkeld (Erfelijkheid.nl)
    WISC III
    De Wechsler Intelligence Scale for Children-III is een intelligentietest voor kinderen van 6 t/m 16 jaar. De test bestaat uit 13 subtest, gecatogoriseerd onder verbale en performale subtests (WISC III Productsheet).
    Wisselende geleidingsverliezen
    Verschil in mate van gehoorverlies. Zie geleidingsverlies
    Woordenschat
    Zie actieve en passieve woordenschat.

    Z index

    Zelfstandig naamwoord
    Een woord dat een ‘zelfstandigheid’ aanduidt. Je kunt er 'de' of 'het' voor zetten.
    Bijvoorbeeld: 'bal', 'keuken', 'pop', enz. (Haeseryn, 1997).

    • Verzamelnaam
      Het zelfstandig naamwoord verwijst naar een aantal gelijksoortige wezens of dingen die tezamen een eenheid vormen.
      Bijvoorbeeld: 'dier', 'ding', 'eten', enz.
    • Geen verzamelnaam
      Het zelfstandig naamwoord verwijst naar een specifiek wezen of ding.
      Bijvoorbeeld: 'poes', 'stoel', 'appel', enz.
    • Concreet zelfstandig naamwoord
      Een woord voor mensen, dier, ding of stof (ook denkbeeldige).
      Bijvoorbeeld: 'poes', 'stoel', 'Jan', enz.
    • Abstract zelfstandig naamwoord
      Een woord voor iets dat je niet kunt horen, zien, ruiken, voelen of proeven.
      Bijvoorbeeld: 'jaar', 'duw', 'temperatuur', enz.


    Referenties