Disciplines ketenzorg

Peuterspeelzaalleid(st)er

Definitie

Een peuterspeelzaalleid(st)er creërt optimale ontwikkelingskansen voor alle kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar door het aanbieden van veelzijdige en passende speelactiviteiten.

Werkzaamheden

Een peuterspeelzaalleid(st)er begeleidt een groep van tien tot achttien kinderen op een peuterspeelzaal en doet verschillende groepsactiviteiten zoals knutselen, liedjes zingen, verkleden, bewegingsspelletjes en poppenkastspel. De peuterspeelzaalleid(st)er observeert de ontwikkeling van kinderen. Verder stimuleert de peuterspeelzaalleidster om de kinderen zelf te laten spelen. Tevens houdt de peuterspeelzaalleid(st)er de ontwikkeling van kinderen in de gaten. Kinderen met mogelijke ontwikkelingsachterstanden krijgen extra stimulatie.

Waar werkzaam

Zelfstandige peuterspeelzaal, of een peuterspeelzaal als onderdeel van een welzijnsorganisatie, kinderopvang of onderwijsinstelling. 

Toegang

Vrije toegang voor iedereen.

Opleiding

Sociaal pedagogisch werk (SPW) 3

Beroepsvereniging

Overig

Aandachtsgebieden

  • Opsporen (screening)
  • Diagnostiek
  • Behandelen
  • Medisch ingrijpen
  • Adviseren

Problematiek

Autisme spectrum stoornissen:

Leerproblemen:

Interview peuterspeelzaalleidster

Waar bent u werkzaam? Ik werk op een peuterspeelzaal. Waar houdt u zich mee bezig? Over het algemeen komen kinderen tussen 2 en 3 jaar zo'n 2 tot 3 dagdelen naar de peuterspeelzaal. Wat betreft kinderen en de spraak- en taalontwikkeling; we werken met een speciaal VVE-programma waarin we de kinderen zo breed mogelijk willen stimuleren. De kinderen die net binnenkomen leren automatisch hoe alles werkt van de oudere kinderen.

We staan altijd met 2 leidsters op de groep. De een houdt zich dan bezig met organisatorische dingen en dat alles reilt en zeilt, terwijl de andere dan gericht is op het begeleiden en observeren van kinderen, en het geven individuele begeleiding aan de kinderen. Zo heb je bijvoorbeeld in de begeleidende rol de mogelijkheid om intensief met de kinderen bezig te zijn. Als je dan denkt van, die kinderen zouden wel wat meer taal aangeboden moeten krijgen, dan ga je eens op de bank een boekje lezen of je gaat eens samen met een klein groepje een spelletje spelen. We doen veel kringactiviteiten

Verder doen we huisbezoeken, dat vinden we ook heel belangrijk. Dan kun je thuis al vragen van goh, praten jullie alleen je eigen taal met het kind of praten jullie beide talen? Dan kom je vaak een heleboel te weten, en dat maakt het gemakkelijker voor de communicatie. Je kunt dan ook vertellen dat het niet erg is als kinderen nog geen Nederlands praten, omdat je weet van ze zijn hier een half jaar of een jaar wel stil, maar dan komt het toch vaak op gang. Op die manier kun je ongerustheid bij ouders wegnemen.
Welk instrumentarium gebruikt u op het gebied van de diagnostiek van spraak- en taalontwikkeling? Diagnostiek zijn we niet mee bezig maar we stimuleren de spraak- en taalontwikkeling wel met behulp van Kaleidoscoop en Piramide. We maken bijvoorbeeld gebruik van speelleren: we gaan een kuil graven, en ja, wat is nou een kuil. We gaan eerst een grote berg maken, dan gaan we graven nou ja het gaat er om dat je het heel aanschouwelijk maakt en daarbij veel taal aanbiedt, dan leren de kinderen als het ware vanzelf. Verder hebben we de Citotaaltoetsen die we gebruiken.

Ook met anderstalige kinderen (die pas hier voor het eerst met de Nederlandse taal in aanraking komen) praten we heel veel Nederlands en we werken met veel gebaren of nemen kinderen aan de hand mee: "Kijk, nu gaan we in de kring".

Op een planbord kunnen kinderen zien wat we gaan doen en dat wijzen we dan steeds aan en voegen daar taal aan toe.
Wanneer verwijst u door naar een andere discipline? Het is belangrijk om na te gaan of de hoe de taalontwikkeling is van anderstalige kinderen, dus ook in hun eigen taal. Dit vraag ik altijd na bij de ouders. Als ze in hun eigen taal bijvoorbeeld niet weten wat een stoel is, dan hoef je dat voor de Nederlandse taal ook niet te verwachten. Als de taalontwikkeling van een kindje bijvoorbeeld in beide talen achter blijft , wordt het kindje besproken in een overleg, en indien nodig verwezen naar de juiste discipline.
Waarheen verwijst u zoal? Ik verwijs zelf niet, maar in samenspraak met de werkbegeleider gaan we kijken hoe gaat het eigenlijk met dat jongetje of meisje en wat kunnen we eventueel doen. Als het niet ter plekke kan worden opgelost binnen de peuterspeelzaal, brengen we het kindje in, in het 0-4-jarigenoverleg. Daar zitten dan meer mensen bij. We kunnen het kindje dan vanuit verschillende disciplines bespreken en naar de juiste plek doorverwijzen. Welke terugkoppling krijgt u van de discipline waarheen u verwezen heeft? We krijgen in principe geen terugkoppeling, maar we horen vaak wel van ouders hoe het gaat met het kindje.
Vanuit welke disciplines wordt verwezen naar u? Vanuit de JGZ, nu GGD. Welke terugkoppeling geeft u aan de verwezen discipline? Vaak mondeling tijdens een bespreking.
Met welke disciplines werkt u samen? Ik heb veel overleg met collega’s, maar ook met mensen van de GGD bij het 0 tot 4-jarigen overleg. Verder zijn er ook orthopedagogen beschikbaar die met ons meekijken. Hoe worden de groep mensen waar u mee werkt doorgaans aangeduid (bijvoorbeeld in verwijsbrieven, of bij gesprekken met collega´s?)? We hebben het altijd over kinderen.
Welke van de volgende uitspraken is het beste van toepassing binnen uw werk:
a. kinderen met een taalstoornis en bijkomende problemen
b. kinderen met mogelijkheden
c. kinderen met rechten en plichten
12. Wat is voor u het meest van toepassing:
Kinderen met taalproblemen functioneren meestal het beste in:

a. speciaal (basis)onderwijs, medisch kinderdagverblijf
b. kinderdagverblijf of peuterspeelzaal met VVE-programma
c. reguliere basisschool
13. Heeft u wensen ten aanzien van de verwijstrajecten waarmee u te maken heeft? We zouden graag meer ouders bereiken om, ouders te informeren hoe je de taal kunt stimuleren.  

Volg ons ook op